Welkom bij de Kenniswerkplaats Stedelijke Arbeidsmarkt

De Kenniswerkplaats Stedelijke Arbeidsmarkt is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit. Doel ervan is wetenschappelijke kennis te benutten voor het beantwoorden van kennisvragen bij de gemeente om zo tot beter beleid te komen. Dit wordt in de eerste plaats gedaan door bestaande kennis te inventariseren en beschikbaar te maken.  Daartoe worden bijvoorbeeld seminars georganiseerd en literatuurstudies gedaan. Maar in het kader van de Kenniswerkplaats wordt ook nieuw onderzoek geëntameerd.

Nieuwe publicatie

Literatuuronderzoek Technologie en Arbeidsmarkt

In deze publicatie geven we een overzicht van de wetenschappelijke literatuur op het gebied van technologische ontwikkelingen en de arbeidsmarkt. Daarbij kijken we niet alleen naar de invloed van de technologische ontwikkelingen op het aantal banen. Deze ontwikkelingen kunnen ook van invloed zijn op de sectorstructuur van de vraag naar arbeid en de inhoud van banen. Als er voldoende nieuwe banen komen om het baanverlies op te vangen, kan het nog steeds zo zijn dat veel werknemers een ander type werk moeten gaan doen. Dit kan gepaard gaan met aanzienlijke aanpassingsprocessen.

Inleiding

Op de lange termijn is de technologische ontwikkeling van grote betekenis voor de arbeidsmarkt. Kijken we naar de afgelopen 150 jaar dan krijgen we een aardig beeld van wat die betekenis kan zijn. In die periode is, na correctie voor prijsstijgingen, het inkomen per hoofd van de bevolking met meer dan een factor 14 toegenomen. Tegelijk is het aantal uren dat mensen per jaar werken gehalveerd. Het aantal uren dat mensen in hun leven werken is zelfs nog meer afgenomen doordat jongeren veel langer onderwijs gingen volgen en daardoor later tot de arbeidsmarkt gingen toetreden. Mensen werken dus niet alleen per jaar minder uren, maar werken ook minder jaren. Deze ontwikkelingen zijn voor een belangrijk deel op het conto van technologische vooruitgang en de daaruit resulterende productiviteitsgroei te schrijven. De daaruit voortvloeiende welvaartsgroei heeft het mogelijk gemaakt dat kinderen langer onderwijs konden volgen, maar het hogere opleidingsniveau heeft op zijn beurt ook weer een positief effect gehad op innovatie en productiegroei.

Deze ontwikkeling ging gepaard met verlies aan banen, eerst in de landbouw en later in de industrie. Bij werknemers riep dit angst voor werkloosheid op. Er zijn situaties bekend waarin arbeiders machines kapot maakten om substitutie van arbeid door kapitaal tegen te houden. Maar deze ontwikkeling was niet tegen te houden. Verder bleek in de praktijk dat in andere sectoren voldoende nieuwe arbeidsplaatsen ontstonden om het banenverlies te compenseren. Toen in de negentiende eeuw de mechanisering in de landbouw tot verlies van banen in deze sector leidde, bood de industrie voldoende nieuwe banen. En toen in de twintigste eeuw automatisering tot vermindering van werkgelegenheid in de industrie leidde, werd dit gecompenseerd door toenemende werkgelegenheid in de dienstensector. Wel gingen deze veranderingen gepaard met pijnlijke aanpassingsprocessen. Dit gold zeker voor de periode waarin nog geen uitkeringssysteem bestond. Maar de destructie van banen leidde niet tot grote structurele werkloosheid. Voor zover de werkloosheid tegenwoordig gemiddeld wat hoger ligt dan vroeger kan dit te maken hebben met het feit dat technologische ontwikkeling gepaard is gegaan met een toenemende heterogeniteit van arbeid. Dit maakt de aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt lastiger. Verder heeft de sociale zekerheid mogelijk tot een wat hogere werkloosheid geleid.

Ook in de eenentwintigste eeuw zullen onder invloed van technologische ontwikkelingen (automatisering, robottechnologie, nanotechnologie) ingrijpende veranderingen op de arbeidsmarkt optreden. Opnieuw roept dit de vrees op dat dit tot hoge structurele werkloosheid zal leiden. De meeste economen hebben dan de neiging om naar het verleden te verwijzen. Toen leidden nieuwe technologieën tot voldoende nieuwe banen om het verlies aan banen te compenseren (zie Ter Weel 2015). Zij denken dat dit ook in de komende tijd het geval zal zijn. Dit is een wat gemakkelijke reactie die veronderstelt dat de patronen die sinds de eerste industriële revolutie zijn ontstaan, altijd zullen blijven bestaan. Maar zijn de nieuwe technologieën in hun implicaties wel te vergelijken met eerdere innovaties sinds de tweede helft van de achttiende eeuw? Of zijn de gevolgen van deze nieuwe technologieën veel ingrijpender en is er wel degelijk reden om ons zorgen te maken over de effecten op de werkgelegenheid en de werkloosheid?

Download hier de volledige publicatie